‘Ik geef nooit op. Nooit. Dat is karakterologisch bepaald. Ik was geen moeilijk kind, integendeel, als ik iets wilde, dan ging ik door tot het me lukte. Niet linksom? Dan rechtsom. ‘Kan niet’ bestaat niet. Ik nam vaak de leiding, op school, in groepen. Niet omdat ik per se de leiding wilde, maar omdat ik er slecht tegen kon als iedereen een afwachtende houding aannam. Op zulke momenten stond ik op. Actie! Sommige mensen vonden – en vinden – dat ongetwijfeld een irritante eigenschap, maar daarvan heb ik me nooit veel aangetrokken. Ik volg mijn eigen pad. Ik ben kritisch op mezelf, maar heb voldoende zelfovertuiging: dát is de basis van alles. Hoe kun je verwachten dat een ander in jou gelooft, als je dat zelf niet doet?’
Rare roaming
‘Ik kom uit een typisch middenstandsgezin, na de oorlog richtte mijn vader een transportbedrijf op. Elke dag zag ik hoe hard mijn ouders werkten om rond te komen. Als ik goed mijn best deed, kon ik het later zelf regelen. Dat werd er van huis uit in gestampt, evenals: je maakt af waaraan je begint én volg zo veel mogelijk onderwijs. Aanvankelijk wilde ik arts worden, levens redden in Afrika, net als Albert Schweitzer. Maar thuis hoorde ik hoe de Europese grenzen enorme barrières waren voor mijn vaders transportbedrijf – de Europese gemeenschap bestond nog niet. Als ik met hem meereed, zag ik wat dat betekende: met paspoort op schoot eindeloos wachten totdat de slagboom omhoogging. Dat vond ik gek: aan de andere kant zagen de koeien er hetzelfde uit, en het gras was toch net zo groen? Europa hield me bezig. Daarbij liep ik dagelijks door het gebombardeerde Rotterdam naar school. Dat riep vragen op: waarom is er oorlog? ‘In vrede leven’ leek mij de ultieme voorwaarde voor een beter leven. Een verbond tussen landen die samen een klimaat scheppen waarin de economie floreert, zodat ieder mens een betere baan, beter onderwijs en betere gezondheidszorg heeft. Dat was mijn droom. Ik geloofde heilig in een grenzeloos Europa. Toen, en nu. Ik ben dan ook blij dat ik, als EU-commissaris, korte metten kon maken met die rare roamingkosten. Waarom zou je ‘over de grens’ ineens wél moeten betalen? Dat vond ik niet uit te leggen.’
Falen maar!
‘Mijn elf jaar als EU-commissaris in Brussel waren ontzettend interessant en inspirerend. Tropenjaren, dat ook. De term ‘powervrouw’ vind ik een aardig compliment, maar wel wat overdreven: ik pakte de kansen die ik kreeg. Dat moet ook, want niks wordt je op een presenteerblaadje aangereikt. Daarom vind ik het risicomijdend gedrag van sommige mensen, vaak vrouwen, erg jammer. Grijp je kansen, de ene keer lukt het, de andere keer niet. Daar leer je van. Af en toe móét je op je bek gaan, dan pas weet je: dit nooit meer. In Nederland slalommen we graag om onze fouten heen, dat is onze cultuur, uit angst dat we negatief beoordeeld worden. In de VS werkt dat anders, daar móét je gefaald hebben. Kun je tijdens een sollicitatie geen faalvoorbeeld opsommen, dan kun je het vergeten: je hebt niet genoeg risico genomen. Ik heb het vaak genoeg moeilijk gehad, niet alles lukt natuurlijk. Wilde ik als minister van Verkeer en Waterstaat een wetsvoorstel doorvoeren maar kreeg ik de meerderheid niet mee, dan frustreerde dat me. Maar in huilen uitbarsten of opgeven, wie heeft daar iets aan? Ik zet mijn frustratie liever om in tegenactie: hoe krijg ik dit wél voor elkaar?’ Pak je rugzak ‘‘Stelt u deze vragen ook aan mijn collega? Hij heeft namelijk ook een gezin.’ Als EU-commissaris pareerde ik vragen over de combinatie tussen werk en gezin. In feite moet deze vraag aan iedereen gesteld kunnen worden, omdat het een breder beeld geeft, maar ze stelden ’m aan mij alleen. Ik zou graag zien dat vrouwen meer participeren in de samenleving. Als liberaal zal ik een ander niet voorschrijven hoe hij of zij het leven moet indelen. Bovendien is geen enkele thuissituatie hetzelfde, ik had het geluk van een gezonde, stabiele zoon. Maar ik vind het wel belangrijk dat vrouwen weten wat de consequenties zijn. Besluit niet te makkelijk om ‘even’ uit het arbeidsproces te stappen. Hou het bij, anders wordt het moeilijk om weer terug te komen. En vergis je niet: ook nadat de kinderen het huis uit zijn, ligt er nog een heel leven voor je. Wie voorzichtig is in het verkeer, wordt tegenwoordig op z’n sloffen honderd. Wil je na je 65ste alleen maar bridgen of tuinieren? Of wil je toch je bijdrage aan de samenleving leveren? Dat vind ik de grote boodschap aan de jonge generatie: vergaar zo veel mogelijk kennis, maak een opleiding af, doe werkervaring op. Zorg voor voldoende bagage, want met díé rugzak trek je door het leven.’
Facetimen met oma
‘Ik woonde dicht bij het strand, maar wel afgelegen, een beetje eenzaam. Sinds kort woon ik in Amsterdam Oud-Zuid. De auto staat hier te verstoffen, ik pak altijd de tram of de fiets. Gelukkig maar, want sporten schiet er verder bij in. Ik reis veel, en vind het heerlijk om op een vrije dag met een boek op de bank te liggen of de stad te ontdekken. En heb ik zin om ergens een hapje te eten, dan kan ik genoeg vrienden appen. Of mijn overbuurman (choreograaf Hans van Manen, red.) rammelt al aan de deur: ‘Ik kom even langs, ik heb zin in een glas!’ Mijn zoon woont met zijn gezin in San Francisco. Daar zijn ze happy, het is hun leven, wat wil ik nog meer? Dat is verstandelijk beredeneerd, intussen denk ik heus weleens: wat zou het gezellig zijn om even bij ze langs te wippen. Al is het goed dat ik niet om de hoek woon, ik zou me overal mee bemoeien! Gelukkig heb ik een engeltje op mijn schouder, want voor mijn werk ben ik veel in San Francisco. Met mijn kleindochters Finn en Palmer facetime ik veelvuldig en als ze in de vakantie naar Nederland komen, gaat er een dik kruis in mijn agenda. Dan ben ik gewoon even oma.’
Niet van steen
‘Met positieve jaloezie kijk ik naar alle digitale mogelijkheden van tegenwoordig. Natuurlijk is het de uitdaging dat je er ook iets wezenlijks mee doet, en niet alleen zit te gamen. Maar als ik zie hoe de jonge generatie zich in deze wereld beweegt, ben ik zeer hoopvol. De nieuwe generatie is klimaatbewust en ziet in dat bezit betrekkelijk is: je hoeft toch geen auto te bezitten om ’m te kunnen gebruiken? En jonge mensen werken hard, zijn nuchter en bereid zich in te zetten. Zelf denk ik ook niet over stoppen. Naast mijn betaalde werk doe ik graag iets terug voor de samenleving. Zo maak ik me hard voor het vrouwenhart, ben ik ambassadeur van het Prinses Máxima Centrum en zet ik me met Amref Flying Doctors in om de besnijdenis van meisjes in Kenia terug te dringen – het is toch godgeklaagd dat dit nog steeds gebeurt? Zulke zaken grijpen mij aan. Je moet echt van steen zijn om in het Máxima Centrum rond te lopen en níét je hulp aan te bieden. Een belangrijk criterium is dat ik het gevoel wil hebben dat het uitmaakt of ik meedoe – ik wil geen bezigheidstherapie. Enerzijds staat er minder druk op mijn werk dan pakweg dertig jaar geleden, anderzijds realiseer ik me nu dat het leven eindig is. De motivatie is veranderd, maar de haast is gebleven: als ik dingen wil veranderen, moet ik het nú doen.’


