Zin maak je. Jaja, nu weten we het wel. Maar gézin, hoe zit ’t daarmee, maak je dat ook? Of toch nog even niet? Via wikken en wegen naar waggelen en werpen.
“Jeetje, wanneer ik zeker wist dat ik een gesticht wilde stichten?” mijmer ik hardop. ‘Gezin,’ corrigeert mijn jongere nichtje me. ‘Ik vroeg gezin stichten.’ Gezin, juist. Terwijl gesticht beter de lading dekt met een non-stop lullende kleuter en een plakkerige peuter in huis. Plus een corpulente poes die graag in schoenen en tassen sast. Anywayz,… ik denk terug aan dat moment, een jaar of zes geleden. Ik had al jaren verkering met mijn huidige vriend, maar het onderwerp kinderen kwam tot dusver nooit ter sprake. Druk met gecultiveerde chaos, werk, feestjes, elkaar, anderen. Kinderen, dat was iets om later, als ik groot was, over na te denken. Om en nabij de dertig lentes voelde ik me ook totaal niet aangesproken toen vrienden en bekenden begonnen met babywerpen. Mijn zus was bijvoorbeeld ouder dan ik en sommige vriendinnen droomden als eicel al van nageslacht in zachtroze tutu’s. Kortom, dit waren mensen die lichtjaren op mij voorliepen. Maar ineens diende de tweede golf bolle buiken zich aan, gelijkgestemden met wie ik tot dan toe lekker in de lampen hing, ook zij trokken zich zogend terug in hun grot. Van een op andere dag werd de voorplantingskwestie een relevante vraag. Van ver-van-mijn-bed-show naar in-mijn-bed-show (of, waar het uiteindelijk op uitdraaide: in-een-gammele-stacaravan-op-vakantie-show, maar dat terzijde).
Verwend geneuzel
Volgens psychologe Barbara Nanninga schuift het kindervraagstuk bij een specifieke groep inderdaad steeds verder op. “Los van mensen zonder partner bij wie de kwestie al natuurlijk verschuift, gaat het vaak om de categorie die gestudeerd heeft en bezig is met een carrière. De groep die àlles wilt: huisje, boompje, beestje, baantje. ‘Zo, eerst dit en dat en dán, daarna, ben ik er klaar voor.’ Ze houden van controle en vragen zich van tevoren af wat ze nodig hebben voor een kind en wat ze ervoor moeten laten, terwijl je pas weet waaraan je begint als je er midden instaat. Geloof me: dingen komen nooit uit, een kind ook niet. Denk je alles op orde te hebben, gaat ineens je partner vreemd, verlies je je baan of breek je een been. Wel is het interessant om na te gaan waaróm je precies wacht als de omstandigheden ogenschijnlijk op orde zijn, je hebt een huis, een partner, een kinderwens… Waarom laat je je weerhouden door rationele zaken terwijl je er gevoelsmatig eigenlijk al uit bent?” Ook ik moest door een aantal vragen heen. De eerste: had ik überhaupt een kinderwens? Geen idee, die vraag had ik immers jarenlang succesvol geparkeerd. Van mezelf mocht ik een hulplijn bellen, meerdere zelfs, en ontdekte zo vrij onverwacht dat zelfs het overlijden van mijn moeder een rol speelde in deze kinderwenskwestie. Eind 1990 was ik tien jaar toen ons blije gezin als een kerstbal op de grond in duizend diggelen donderde. De decembermaand was de meest confronterende van alle twaalf, altijd weer die ‘vanzelfsprekende’ geborgenheid en knus-bij-mama-op-schoot-achtige warmte. Voor mij was de vanzelfsprekendheid een ongrijpbare herinnering geworden. Heimelijk verlangde ik naar dat knusse gezinsgeluk uit mijn jeugd, maar begroef die wens, weigerde het te willen, wetend wat een pijn het deed als je het tóch kwijtraakte. Dus al tien jaar dezelfde vriend of niet, een stap verder, eentje naar een echt gezin met alle hechting die erbij hoort,… uhuh, toedeledoki! Terwijl deze angst ergens onbewust smeulde, maakte ik me in praktijk vooral druk om concrete hobbels: hoe moet dat straks als zelfstandige, blijf ik flexibel genoeg voor opdrachtgevers, kunnen we nog wel leven zoals we leven, wonen waar we wonen, feesten zoals we feesten? Oftewel: verwend geneuzel. Vind ik nu, toen niet. Op dát moment vond ik het allemaal onwaarschijnlijk relevant. Inmiddels – ouder, wijzer? – kan ik alleen maar dankbaar zijn voor mijn twee gezonde kinderen en zou ik mezelf met terugwerkende kracht graag op m’n yuppige yolo-neus poffen. Types die belerend zeggen: ‘Een kind ‘neem’ je niet, die krijg je!’ mogen dan irritant zijn, ze hebben wel gelijk.
Vrolijke voortplanting!
Ook gynaecoloog Koen Deurloo krijgt meer ‘planners’ op bezoek: “Voorheen waren het vooral familieleden of vrienden die me op een feestje even aantikten met vragen. ‘Ik ben 32, heb net een nieuwe baan, kan ik nog een jaar wachten? Hoe snel keldert mijn vruchtbaarheid?’ Maar tegenwoordig komen steeds meer mensen preventief voor een oriënterend onderzoek. Vaak wat oudere stellen die huis, carrière, alles een beetje op de rit hebben en zeggen: we gaan niet een jaar aanmodderen om er dan pas achter te komen dat er met een van ons iets mis is. Dan doen we een zaad-, eicel- en hormoononderzoek en als de resultaten daarvan oké zijn, gaan ze een jaartje los in de wei. Het merendeel zie ik niet meer terug.” Barbara voegt toe: “Natuurlijk juich ik het toe dat mensen zorgvuldig nadenken over iets belangrijks als een kind krijgen, maar tegelijkertijd vraag ik me af: kun je er echt over nadenken? Want wil je echt vanuit je tenen kinderen, dan ga je ervoor en laat je je niet weerhouden door ‘randzaken’. Cru gezegd: al het wereldleed ten spijt, we planten ons toch allemaal vrolijk voort. Stel, je bent alleen, hebt geen rooie rotcent, je bent vroeger zwaar mishandeld, dan kan ik me voorstellen dat je denkt: moet ik dit willen en zoja, hoe? Maar dan nog acht ik de kans groot dat je ervoor gaat, omdat het gevoel zo sterk overheerst. En, eerlijk, hoe vaak hoor je iemand zeggen: had ik het maar niet gedaan – hoe heftig het ouderschap ook is?”
Schijnveiligheid
Nadat ik alle emotionele ruis en irrelevante randzaken een beetje had weggepoetst, kwam ik uit de kast met mijn kinderwens. Misschien was ‘later als ik groot ben’ wel gewoon… nú? Koen: “Nederlandse vrouwen zijn gemiddeld 29,8 jaar als ze voor het eerst moeder worden, dat is relatief oud. Het steekt elkaar ook aan, want als je om je heen ziet dat iedereen later begint, wat maakt het dan uit? Het ontbreken van een geschikte partner is een reden. Maar daarnaast ook een combinatie van carrière, lang leve de lol én het groeiend vertrouwen in fertiliteitsbehandelingen. Ik vermoed dat dit laatste een steeds belangrijkere rol speelt: het feit dat er mogelijkheden zijn zoals IVF en ICSI geeft vrouwen het vertrouwen om hun kinderwens nog even uit te stellen.” Maar zijn deze opties zo waterdicht dat medici hierop aansturen? Koen: “Absoluut niet. Als het niet anders kan, dan is het fantastisch dat die mogelijkheden er zijn, maar… mensen moeten er zeker niet lichtzinnig over denken. Naast het feit dat de succeskans van zo’n behandeling sowieso lager ligt dan bij een natuurlijke zwangerschap, is het een heftig proces. Het legt een enorme druk op de relatie, soms met een scheiding tot gevolg. Dus wie de keuze heeft, raad ik aan het niet op de spits te drijven en toch eerder te beginnen. Het ouderschap heeft honderdduizend voor- en nadelen, maar… die zijn er over vijf jaar ook nog.” “Klopt,” zegt Barbara. “We proberen controle te houden in onze hang naar veiligheid, maar het is een schijnveiligheid. Iedereen weer dat er elke dag weer iets onverwachts kan gebeuren, klein of groot. Je kunt beter leren omgaan met alle plezierige en minder fijne verrassingen die het leven in petto heeft. Zorg voor voldoende zelfvertrouwen om flexibel in het leven te staan, waardoor je denkt: wat er ook gebeurt, het komt wel goed. Onthoud dat de perfecte planning een illusie is. En vaak weet je het antwoord allang.” Lang verhaal kort: dat hele wikken en wegen is feitelijk een zinloze zoektocht. Weet je deep down dat je graag een kind wilt, zijn je persoonlijke omstandigheden voldoende te pruimen, heb je een paar euro op zak, waag de gok, wie weet is het je gegeven. En of je er nou echt ‘klaar’ voor bent? Klaar voor – schmaar voor. Gaan met die banaan.


